Dankzij groot succes is het boek over de unieke geschiedenis van de Erfgooiers in een tweede oplage verschenen. Voor slechts € 9,95 is dit hét ideale cadeau voor iedere inwoner van het Gooi. Het boek is verkrijgbaar bij diverse boekhandels en Historische Kringen in het Gooi of stuur een mail naar de Stichting Stad en Lande van Gooiland.
Lees verder Tweede druk voor succesvol boek over de geschiedenis van de ErfgooiersAlle berichten van Beheer
Fotograaf maakt opvallende portretten van Blaricumse erfgooiers
Ook dit is het Blaricumse leven. Fotograaf Herman van Doorn portretteerde voor zijn project ’Erfgooiers en traditie’ nazaten van de erfgooiers in hun vertrouwde omgeving.
Lees verder Fotograaf maakt opvallende portretten van Blaricumse erfgooiersVerslag ‘Erfgooiers, boeren in het Gooi’
In november zijn leerlingen van basisschool de Binckhorst St-Jan in Laren aan de slag gegaan met het thema Erfgooiers, boeren in het Gooi. Boeren van nu zijn in protest, dat hebben de kinderen allemaal gezien in het nieuws. Honderd jaar geleden woonden er ook boeren in het Gooi. Zij gingen ook in protest, maar waartegen was dat?
Lees verder Verslag ‘Erfgooiers, boeren in het Gooi’Emil Ludenpenning 2019
“Goede Luyde van Gooylant*, welkom in de Burgerzaal van het Stadhuis van Gooiland”, zo opende F.J.L. van Dulm de bijeenkomst op vrijdag 11 oktober 2019 in de Burgerzaal van het oude Stadhuis te Naarden.
Lees verder Emil Ludenpenning 2019Historie van ‘Stad en Lande’
Uit de Gooi en Eemlander van 11 oktober 2019
Lees verder Historie van ‘Stad en Lande’Nieuwsblad van Huizen
Leuk artikel in het Nieuwsblad van Huizen van 10 oktober 2019
Lees verder Nieuwsblad van HuizenHistorie van ‘Stad en Lande’
Recensie van het boek ‘Erfgooiers’ in de Gooi- en Eemlander van 9 oktober 2019.

Programma 4-11 oktober 2019
Op deze pagina treft u het voorlopige programma van de week-van-de-erfgooier aan. Er kunnen de komende tijd nog evenementen worden toegevoegd. Wijzigingen voorbehouden.
Vrijdag 4 oktober 2019
Burgemeester Pieter Broertjes van de gemeente Hilversum neemt het eerste exemplaar van het nieuwe boekje ‘Erfgooiers – Stad en Lande van Gooiland‘ in ontvangst. Het boekje is geschreven door Anton Kos en wordt uitgegeven door de Stichting Stad en Lande van Gooiland.
Laren
In twee groepen van basisschool De Binckhorst-St Jan te Laren wordt het project Erfgooiers, Boeren in het Gooi uitgevoerd. De Stichting Omgevingseducatie Gooi, Vecht en Eemstreek heeft dit project voor de Week van de erfgooier ontworpen.
Maandag 7 oktober 2019
Overhandiging van het nieuwe boek ‘Erfgooiers – Stad en Lande van Gooiland‘ aan wethouder Marlous Verbeek van de gemeente Huizen.
Bussum
De Historische Kring Bussum plaatst in de week-van-de-erfgooier een kort filmpje over de erfgooiers op hun website. In het het blad BussumsNieuws, NaarderNieuws en MuiderNieuws wordt in de rubriek “Een uitgelezen boek” op 9 oktober een boek over de geschiedenis van de erfgooiers aangeboden.
Donderdag 10 oktober 2019
Lezingen en excursie VVG over de verkoop van de Gooise gronden door de Staten van Holland. De Staten waren als opvolger van de Graaf van Holland eigenaar van de heidegronden in ’t Gooi. De erfgooiers hadden er ‘gebruiksrechten’. Daarom verzetten zij zich tegen de verkoop rond 1625 van het zogenaamde 1e blok (het huidige ’s Graveland) en na 1655 van het 2e blok (het gebied tussen Hilversum en Loosdrecht, o.a. de Hoorneboegse heide). In de lezingen door dr. Anton Kos en Majoor Willemijn Teerds wordt u meegenomen in het proces van verkaveling en verkoop, alsmede wat de nieuwe eigenaren met hun bezit hebben gedaan. Vervolgens wordt er een wandeling over de Hoorneboegse heide gemaakt. Kosten € 15 (voor leden € 10). Meer informatie en inschrijving via VVG (Vrienden van ’t Gooi). Aanmelden kan via email: info@vriendenvanhetgooi.nl ovv bijeenkomst 10-10-19.
Vrijdag 11 oktober 2019
Uitreiking Emil Ludenpenning in het oude raadhuis van Naarden Vesting.
968-1280 Elten
In 967 was het graaf Wichman van Hamaland (circa 930-973) duidelijk. Zijn ziekelijke zoontje zou hem niet opvolgen. Zijn ene getrouwde dochter Adela (circa 952-na 1021) had wel aspiraties, maar Wichman wilde voorkomen dat zijn bezittingen via huwelijken in handen van andere families zouden komen. Daarom stichtte hij een nonnenklooster te Hoog-Elten, waaraan hij een groot deel van zijn goederen schonk. Zijn andere dochter Liutgard (ca 955-996) stelde hij aan als abdis. In 973 stierf Wichman jr. en in hetzelfde jaar verleende de keizer Elten bescherming.

Het ging Wichman niet alleen om het doorgeven van zijn rijkdommen. De schenkingen werden gedaan ‘omwille van het zielenheil’. Zowel Wichman als zijn familieleden zouden door de giften rechtstreeks in de hemel belanden. De tuin van het klooster deed dienst als begraafplaats en, niet onbelangrijk, vrouwelijke familieleden die niet aan de man konden komen, kwamen in Elten terecht om daar een aan God gewijd leven te lijden.
Echter Liutgard en Adela zouden zich na de dood van hun vader verliezen in een ordinaire ruzie over de erfenis. Adela had met lede ogen moeten toezien hoe het grootste deel van het familiebezit bij Elten was terechtgekomen. Bovendien aasde zij op het gravenambt. Een vrouw in die tijd maakte weinig kans. Adela trouwde daarom met de lokale roofridder Balderik. Het gelegenheidshuwelijk was bedoeld om het machtscomplex van Wichman over te nemen. Daarna werd de strijd aangegaan met Liutgard, want in haar klooster bevond zich de grootste schat. Na veel gekrakeel en een moord hier en een vergiftiging daar, werd besloten tot een boedelscheiding. Vrijwel alle familiebezittingen werden verdeeld tussen Elten en Adela en Balderik, behoudens de leengoederen.
Nardinclant
Een van die leengoederen was Nardinclant, de oude naam van Gooiland. Het lag tussen de rivieren de Eem en de Vecht en grensde zuidelijk aan het Sticht Utrecht. In het noordwesten werd het graafschap Holland aangetikt, in het oosten liep het over in de Utrechtse heuvelrug. Er waren vijf dorpen: Hilversum, Bussum, Laren, Blaricum en Huizen. En een wat grotere nederzetting, Oud-Naarden.
Door de schenking werden de Gooiers horig aan Elten, dat wil zeggen, ze behoorden tot de abdis en mochten onder geen beding het Nardinclant verlaten. Om ervan verzekerd te zijn dat haar nieuwe arbeiders de landbouwgronden goed zouden exploiteren, schonk ze hen gebruiksrechten op ongecultiveerde gemeenschappelijke gronden: niet ingezaaide weilanden of meenten, bossen, heidevelden, moerassige venen, maat- of hooilanden, en open jachtpercelen of waranden.
De heiden dienden voornamelijk voor de schapenteelt, maar er werden ook plaggen gestoken voor de mestbereiding. Op de weidegronden kon het vee grazen en uit de bossen werd hout gehaald. Ook konden de varkens daar ‘eikelen’ of akeren. De venen leverden turf, op de waranden joeg men op konijnen en hazen en op zandige drassige vlaktes werden sprokkelhout en biezen verzameld. Het gebruik van de gemene gronden was wel naar rato: hoe meer akkerland er werd verbouwd, des te meer gebruiksrechten.
Onvrij werd vrij
Langzaamaan gingen de Gooise boeren hun onvrije lasten als vrije lusten beschouwen en gaven ze deze door aan hun mannelijke kroost. Daar trad Elten niet echt tegen op, want de exploitatie moest doorgaan. Zolang er maar landbouw bedreven werd en de belastingen op tijd binnenkwamen, was er weinig aan de hand. Veel erger was dat de rentmeesters zich bijkans gedroegen als eigenaren van het Nardinclant en inkomsten voor zichzelf hielden. Dit leidde in 1280 tot een belangrijke gebeurtenis.

1280-1326 Van meenten tot marken
13 mei 1280. De graaf van Holland, Floris V (1254-1296), kwam te paard bij het kasteel Vreeland aan. De abdis van Elten, Godelinde (abdis van 1272 tot 1288), was al gearriveerd en zat aan tafel in de grote zaal. Floris nam tegenover haar plaats en kwam direct ter zake. Hij overhandigde de door de bisschop van Utrecht bezegelde oorkonde waarin de graaf van Holland liet weten dat Elten een week eerder (6 mei) Gooiland tegen een behoorlijke pachtsom (25 goudstukken per jaar) had overgedragen aan Holland. Godelinde beloofde vervolgens dat Elten en haar juffers ermee zouden instemmen. Na ruim driehonderd jaar kwam een einde aan het Eltense Gooiland. Maar waarom vond deze overdracht plaats? En wat betekende dit voor de Gooiers?
De belangrijkste reden was een machtspolitieke; de Gooise rentmeesters van Elten, de beruchte Van Amstels, klopten steeds vaker en harder op Floris’ achterdeur. Bovendien groeide hun machtsgebied buitenproportioneel. Floris vroeg daarom aan Elten om Gooiland in pacht aan hem over te dragen, inclusief de Gooise bezittingen van zijn belangrijkste rivaal Gijsbrecht IV van Amstel (circa 1230-circa 1303). Die worden in de begeleidende oorkonden usurpaties genoemd, waarmee Floris aantoonde dat de Van Amstels hun Gooise goederen onrechtmatig hadden verworven.

De pachtovereenkomst
Waarschijnlijk stemde Godelinde daarom zo gemakkelijk met de overdracht in; ze had immers geen greep op de Van Amstels, waardoor ze inkomsten uit Gooiland misliep. Door de verpachting leverde het gebied weer wat op.
Ze liet weten dat: ‘(…) wij met instemming van ons convent aan Floris, graaf van Holland, en zijn opvolgers een land dat Nardinclant wordt genoemd hebben overgedragen, met alles wat daarbij hoort, de heerschappij, de gezagsrechten, (…) keurmedigen, akkerlanden, gecultiveerde en ongecultiveerde landen, bossen, veenlanden, weidegronden, graslanden, water en waterlopen en alle andere rechtens daartoe behorende zaken die in voornoemd land genoemd kunnen worden’. Van belang is dat zowel de Gooiers als de gemene gronden (ongecultiveerde landen) overgedragen werden. De Gooiers heetten toen nog keurmedigen, een specifieke benaming voor horigen; het beste deel (de keur) van hun erfenis verviel aan de heer of in dit geval de abdis (denk aan de term keurslijf).
Van Nijenrodes: boswachters
Uitgezonderd was het boswachterschap van de heren van Nijenrode, maar de Gooise bezittingen van de heren van Amstel waren dus uitdrukkelijk inbegrepen. Zo schakelden Floris V en Godelinde de heren van Amstel uit. Floris V had nu een slot op de deur, Godelinde was verzekerd van inkomsten uit Gooiland. Let op, ze had Gooiland niet verkocht. Indien de pachtsom niet werd betaald, dan viel het gebied in zijn geheel terug aan Elten.
Marken: agrarische belangenorganisaties
De Gooise boeren waren argwanend. Want wat zou deze machtswisseling betekenen voor hun landbouw en veeteelt? Zouden zij nog vrijelijk kunnen beschikken over hun gemene gronden en akkers? Voordat Floris V zich daadwerkelijk met zijn Gooise onderdanen kon bemoeien, werd hij doodgeslagen op een veldje in Muiderberg. Het machtsvacuüm werd direct benut; de Gooiers organiseerden zich in twee landbouworganisaties of marken. De ene was gericht op de zuiver agrarische gemene gronden als weilanden en heidevelden, de andere op het bos.
Vertegenwoordigers van de stad Naarden en de dorpen Blaricum, Bussum, Huizen, Hilversum en Laren zaten vergaderingen voor en stelden reglementen op waarin werd bepaald door wie en op welke wijze de gemene gronden gebruikt mochten worden.
De gebruiksrechten op gemeenschappelijk of ‘gemeen’ gelegen gronden waren aanvankelijk gebaseerd op het bezit van akkergrond en verbonden aan de hoeve of boerderij – zakelijke rechten – en ontwikkelden zich tot persoonlijke overerfbare rechten, waardoor de bezitters ervan geërfde boeren werden, vandaar: erf-gooiers: meerderjarige mannen die woonden in Gooiland en in mannelijke lijn afstamden van … erfgooiers. In de middeleeuwen noemden ze zich nog ‘waerslude’, naar het Middelnederlandse ‘waer’ dat recht op het gebruik van onverdeelde gronden betekende.
Marken en geërfde boeren kwamen trouwens in heel Nederland en zelfs in heel West-Europa voor, alleen werden ze anders genoemd: in Drenthe en Twente buurschappen en buren, in Engeland commons en commoners, in Duitsland Gemeinden en Erben en in België vroenten en aanborgers. Erfgooiers waren dus geen aparte mensen of bewoners van een geïsoleerde enclave, maar verwant aan veel boeren in binnen- en buitenland.

1364-1568 Schaar- en bosbrieven
Het is 1396. Het stedelijke rechtsgebied van Naarden werd enorm uitgebreid. In feite trokken de landmeters een cirkel om de stad, zelfs helemaal tot aan de Loodijk en weer terug. Daarbinnen lag de Hilversumse meent, een voor de Gooise boeren en vooral Hilversummers noodzakelijk weidegebied. En ineens was dat weiland onderhevig aan het Naarder stadsrecht…
De gebruiksrechten van de erfgooiers stonden hierdoor onder druk. In Naarden bevonden zich ook erfgooiers, die als nieuwbakken stedelingen een andere blik op de gemene gronden ontwikkelden: ontginnen en te gelde maken, bestemmen voor blekerijen of leerlooijeren en misschien zelfs als bouwgrond. Maar veel erger was de ophanden zijnde verkoop van erfgooiersrechten aan nieuwe Naarders, waardoor er erfgooiers bijkwamen die niet op basis van geboorte en overerfde rechten hun koeien en paarden op de meenten zouden brengen.

Los die ruzie op!
De erfgooiers op het platteland hadden hier geen trek in en waarschijnlijk sloegen ze er flink op los. Er werd van buitenaf ingegrepen door niemand minder dan de Hollandse graaf. Hij wilde van deze twisten snel af, want rumoer is altijd slecht voor de inkomsten.
Vandaar dat hij toestemming verleende om de ruzie op te lossen. Op die manier liet hij zijn macht gelden en bracht hij rust in de Gooise tent.
Zodoende kwamen Naarden, het Gooise platteland en de Hollandse graaf in 1403 tot het besluit om wat er nog over was van de gemene gronden voor altijd te behouden, op enkele ontginningen na. Dit betekende dat bepaalde onttrekkingen niet ongedaan konden worden gemaakt, maar dat nieuw grondverlies uit den boze was. Om onenigheid te voorkomen, moesten de nieuwe afspraken en oorspronkelijke regels op schrift worden gesteld.
Schaarbrieven
Dit resulteerde in een regeling waarin niet alleen bepalingen werden opgenomen over het gebruik, behoud en beheer van de gemene gronden, maar ook – het meest belangrijke – werd vastgesteld wie er toegang hadden tot de gemene gronden. Alleen erfgooiers die een boerderij hadden mochten hun rundvee en paarden laten grazen of ‘scharen’ op de meenten. Daarom werd dit reglement uit 1404 de eerste schaarbrief genoemd.
Aanvankelijk leidde dit tot weinig problemen. Toch waren de afspraken niet helder genoeg. De eerste schaarbrief liet te veel ruimte aan vreemdelingen om de weilanden en heidevelden te gebruiken, zonder dat de erfgooiers daar veel aan konden doen. In 1442 werd deze onverkwikkelijke praktijk gestopt via de tweede schaarbrief, waarin de gebruiksvoorwaarden werden aangescherpt. Louter vanouds rechtmatige erfgooiers hadden nu toegang tot de gemene gronden. Ze moesten nog steeds een boerderij bezitten, maar er kwam nog een pakketje voorwaarden bij: men moest getrouwd en meerderjarig zijn, en over een stuk grond op de eng beschikken.

Scharend versus niet-scharend
Het gevolg was dat steeds maar één mannelijke telg uit één gerechtigd erfgooiersgezin volledig gebruiksrecht kreeg. Dit zorgde voor het onderscheid in scharende en niet-scharende erfgooiers, boeren met honderd procent en boeren met verminderd gebruiksrecht op de gemene gronden. Doorgaans trad de oudste zoon in de voetsporen van zijn vader. Hij erfde de boerderij, de akker, trouwde en had na zijn vijfentwintigste (de toenmalige meerderjarige leeftijd) het erfgooierschap verkregen. Let op, het erfgooierschap verkreeg men bij leven, je hoefde dus niet te wachten op de dood van je vader. Deze boer werd een scharende erfgooier.
Maar zijn broers bleven verstoken van schaarrechten, want ze hadden geen boerderij. Misschien hadden ze wel een stukje grond op de akker, en wellicht trouwden ze met een erfgooiersdochter, maar ze kregen zonder die boerderij geen volledig gebruiksrecht. En hier komt het: hun erfgooierschap ging nooit verloren, maar of ze er wat aan hadden, was maar de vraag. In de middeleeuwen kon dat nog wel eens meer dan genoeg zijn, want turfsteken, sprokkelhout rapen en paddenstoelen of riet of bramen of kersen verzamelen, het waren toen welkome aanvullingen op het bestaan. Deze niet-scharende erfgooiers bleven meestal bij hun scharende broer wonen, maar in de loop van de tijd werden ze ketellapper, visboer, aanzegger of schoenmaker. En zo groeide de groep niet-scharende erfgooiers tot de bijna vijfduizend exemplaren in de jaren 1970 die ‘wilden beuren’.
Bosbrieven
Het bosgebruik stond in verband met dezelfde gebruiksvoorwaarden, waardoor alleen de land- en boerderijbezittende klasse het bos kon benutten. De erfgooiers maakten hierover afspraken – de bosbrieven – met de heren van Nijenrode, die het in 1280 voor elkaar hadden gekregen dat ze opzichters van het Gooise bos bleven. Zij hieven een speciale belasting: de koptiende, genoemd naar de koppen graan waaruit de belasting bestond.

1419-1482 Bourgondisch bewind
‘Ik zal vorst blijven zolang Hij wil, ondanks al diegenen die dat betreuren, wat ik niet betwijfel, want God heeft mij de macht en de middelen gegeven, die ik u ontraad te beproeven (…). Ik heb liever dat gij mij haat dan veracht, want noch ter wille van uw privileges – die toch niets waard zijn – noch om enige andere reden zal ik me van mijn stuk laten brengen, noch iets laten gebeuren ten koste van mijn hoogheid en heerschappij: ik ben immers machtig genoeg om zoiets te weerstaan (…)’.
Wie zich op deze wijze uitlaat, is helder. Hij is de absolute heerser onder of misschien zelfs naast God. Hier spreekt een caesar (keizer), vergelijkbaar met de Romeinse keizers die eeuwenlang over Europa heersten. Zij schoeiden de maatschappij op Romeinsrechtelijke leest, een rechtsstelsel dat haaks stond op de middeleeuwse inheemse rechtspraktijk met zijn moeilijk te interpreteren gewoonterecht en gestapelde eigendomsverhoudingen. De meeste Europese vorsten, graven en andere potentaten namen daarom halverwege de vijftiende eeuw het Romeins recht als leidraad, en zorgden ervoor dat het stelsel – dat tot op de dag van vandaag vigeert – vrijwel overal werd ingevoerd. Dat deden de op alleenheerschappij beluste hertogen van Bourgondië ook. Bovenstaande uitspraak was namelijk van Karel de Stoute (1433-1477), onder meer graaf van Holland en in die hoedanigheid de ‘baas’ van de erfgooiers. Dit moest wel tot botsingen leiden. Immers we zagen dat de erfgooiers vooral op eigen initiatief de exploitatie en het behoud en beheer van ‘hun’ gemene gronden regelden.
Voor het Hof van Holland
In 1470 troffen de partijen elkaar voor het Hof van Holland. Zowel de advocaten van de graaf van Holland als die van de erfgooiers ondersteunden hun gelijk met een ampel pleidooi waarin ze gebruikmaakten van dezelfde bewijsstukken. Terwijl de grafelijke pleitbezorgers bleven hameren op het ontbreken van schriftelijke en door de Bourgondiërs bevestigde bewijzen betreffende een eventuele grondeigendom van de erfgooiers, baseerden de erfgooiers zich op de eerste want door de graaf van Holland bevestigde schaarbrief uit 1404. En de pachtovereenkomst uit 1280 was voor beide partijen van nut. Karels advocaten beweerden dat de Hollandse grafelijkheid toen eigenaar en dus baas van Gooiland was geworden, de erfgooiers wezen er fijntjes op dat het om een erfelijke pacht ging en dat de werkelijke eigenaar en dus baas van Gooiland in Elten resideerde.
We kunnen hier rustig over een patstelling spreken, ware het niet dat de Haagse rechtbank pardoes in het voordeel van Karel oordeelde. De rechters waren niet onder de indruk van de zogenaamde gewoonterechten van de erfgooiers. En documenten als schaar- en bosbrieven hadden weinig tot geen rechtsgeldigheid. Sterker, in 1280 had er een volledige overdracht van Gooiland plaatsgevonden. Alleen een kniesoor lette op de constructie van een erfelijke pacht. En dat de graaf van Holland jaarlijks een pachtsom moest overmaken op straffe van excommunicatie en verlies van Gooiland, dat waren maar details. Er was maar één heer van Gooiland en er had er maar één gezag, macht en daarmee de eigendom: Karel de Stoute.

Naar Mechelen
De erfgooiers waren uiteraard ontevreden. Gek genoeg was Karel ook niet helemaal gelukkig, want het Hof had de erfgooiers wel bevestigd in de eigendom van hun akkers. Karel wilde daar ook zeggenschap over. Zodoende gingen ze in 1474 allebei in beroep bij de Grote Raad van Mechelen, het toenmalige beroepshof van de Lage Landen. Er werden geen nieuwe bewijsstukken aangevoerd – dat mocht ook niet; het beroep vond plaats op basis van dezelfde stukken als in 1470. Maar de Mechelse rechters oordeelden totaal anders. De Grote Raad vernietigde de uitspraak van het Hof van Holland en kwam enerzijds de grafelijkheid en anderzijds de erfgooiers tegemoet; de eigendom van de gemene gronden werd aan eiser (Karel) toegekend, terwijl het gebruik daarvan aan de gedaagden (erfgooiers) werd toegestaan. Precies zoals het meer dan driehonderd jaar onder Elten was gegaan en idem vanaf 1280 tot 1470 onder de opeenvolgende Hollandse graven.
1474 is daarom een mijlpaal in de erfgooiersgeschiedenis. In feite formaliseerde de Grote Raad het wettelijk onderscheid tussen bloot-eigendom en eeuwige gebruiksrechten. Kortom, er lag niet alleen een stevig juridisch fundament onder de grafelijke aanspraken op Gooiland, maar ook onder de gebruiksrechten op de gemene gronden van de erfgooiers. En in vrijwel alle nadien ontstane conflicten met de verschillende overheden werd door de erfgooiers met succes verwezen naar 1474.

1500-1700 Eenheid
Het is om en nabij 1530. Enkele Loosdrechters hadden jarenlang fanatiek gewerkt aan de vergroting van hun percelen en waren halsoverkop de grens met Gooiland overgestoken. Ze besloten om ook daar grond te ontginnen, terwijl de erfgooiers er sprokkelhout, paddenstoelen en plaggen haalden. Toen de Hilversumse erfgooiers vernamen dat de Loosdrechtse buren niet van plan waren te vertrekken, protesteerden alle erfgooiers tegen dit landjepik…
De reden was simpel. Ieder verlies van gemene grond tastte het collectief aan en dat zou op termijn meer en grotere problemen opleveren. En als de groepsamenhang wegvalt, dan neemt de onderlinge agressie toe, dat wisten de erfgooiers maar al te goed. De strijd tegen een gezamenlijke vijand zou niet alleen de pijn van eerdere interne conflicten verzachten, maar ook bijdragen aan een hechtere en vooral sterkere erfgooiersgemeenschap.

De Kerkelanden
Bijna vijftig jaar eerder was de Grote Kerk Naarden geheel afgebrand, een ramp voor de stad en de parochianen. Vandaar dat rap werd overgegaan tot herbouw. De erfgooiers – de kerk van Naarden was belangrijk voor de regio – besloten bij te dragen in de vorm van een schenking van uitgegraven stukken veen die met aarde waren volgestort (vullingen), gelegen tussen Loosdrecht en Hilversum. Later zouden ze Kerkelanden genoemd worden, ‘landen behorend tot het bezit van een kerk’. De Naarder kerk verpachtte deze venen aan de Loosdrechters en verzekerde zich op die manier van inkomsten.
De verpachting was echter zodanig geregeld dat de Loosdrechters juist gronden aan Gooise zijde in pacht kregen die op hun eigen percelen in Loosdrecht aansloten. In de loop van de tijd hadden ze die gronden voor het gemak in cultuur gebracht. De vullingen waren allengs redelijke bouw- of weilanden geworden en aan de kim lag nog veel meer tot cultuur te brengen woest land. Uiteindelijk kwamen de Loosdrechters steeds dichter bij niet aan hen verpachtte grond. Ook daar wisten ze wel raad mee, vooral omdat ze er bijna nooit erfgooiers zagen. En als ze dat wel deden, dan zagen ze erfgooiers die eigenlijk niets deden. Wat de Loosdrechters zich niet goed realiseerden, is dat dergelijk gebruik van grond gangbaar en typerend was voor die erfgooiers; een minieme benutting door zo weinig mogelijk mensen.
In 1534 besloten Hollandse bewindslieden in het voordeel van de Loosdrechters. ‘Laat ze ’t allemaal maar houden’, klonk de volkse samenvatting van hun besluit. De reden was dat zij jarenlang grote kosten hadden gemaakt om die gronden sowieso van nut te laten zijn. Bovendien kregen ze toestemming om hun percelen uit te breiden en deze na gedane zaken rechtmatig en werkelijk los te maken van Gooiland. En zo ontstond Nieuw-Loosdrecht… op voormalige erfgooiersgrond. De erfgooiers hadden hun lesje geleerd en sloten de gelederen. Maar toen een schoonzoon van Willem van Oranje zich in 1619 vergaapte aan deze en andere Gooise vullinglanden, begon het van voor af aan…

De burgeroorlog om ‘s-Graveland
Prins Emanuel van Portugal (1568-1638) achtte complexen ten zuidwesten en westen van Hilversum uitermate geschikt voor de aanleg van enkele buitenplaatsen. Hij vroeg aan de Gooise baljuw P.C. Hooft (1581-1647) toestemming om ze aan te kopen. Hooft weigerde. Er rustten namelijk erfgooiersrechten op die gronden. Vijf jaar later was zijn bezwaar verdwenen en wilde hij samen met enkele Amsterdammers zélf de gebieden exploiteren. Maar de erfgooiers waren niet van plan hun gronden op te geven.
Gevolg: een heuse burgeroorlog. Aan de ene kant stonden de erfgooiers die met man en macht hun gebruiksrechten overeind probeerden te houden, onder meer door de al aangevangen ontginningswerken te ‘renverseren ende ommesmijten’ (vernietigen en omvergooien). Aan de andere kant maakte Hooft gemene zaak met de Amsterdammers om in ieder geval ‘s-Graveland aan te leggen en daarbij de hulp van de overheid in te roepen.
Op 13 maart 1626 lieten de ‘Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollant etc’ op niet mis te verstane wijze weten dat het afgelopen moest zijn met het hinderen van de ontginning ‘alsnu genaemt S Gravenlant’.
Echter het zou nog tot 1634 duren voordat er een compromis werd bereikt. Op basis van een ‘buurspraak’ of algemene vergadering tekenden de erfgooiers dan eindelijk de vrede. Vanaf die tijd mocht niet zomaar en zonder overleg erfgooiersgrond voor andere dan agrarische doeleinden bestemd worden, laat staan dat het werd verkocht aan ‘buitenmensen’. Bovendien konden de huidige en toekomstige bewoners van het latere ‘s-Graveland op geen enkele wijze profiteren van de Gooise gemeenschappelijke gronden. En dat gold ook voor erfgooiers die daar gingen wonen.

1700-1836 In kaart gebracht
Aan het begin van de achttiende eeuw pikte François Hinlopen (1657-1735), een rijke Amsterdamse pendelaar, het niet langer. Hoewel Hinlopen een Gooise hofstede bezat, moest hij van de erfgooiers betalen voor het weiden van zijn vee en paarden. Die erfgooiers schermden met rechten waarvan de rechtsgeldigheid door Hinlopen ernstig werd betwist. De kwestie werd door hem voor het gerecht gebracht en verloren. De zaak had bijzondere resultaten: een namenlijst van de erfgooiers en een aantal fraaie kaarten van het Gooi.

Tot 1702 had François tegen betaling zijn koeien en paarden laten grazen op de Gooise weilanden. Maar hij vond dat hij en zijn oom Michel (1619-1708) nu al zolang op het landgoed Oud-Bussem hadden gewoond, dat het schaarrecht hen persoonlijk toebehoorde. Geërgerd besloot hij in 1705 zijn koeien en paarden zonder betaling op de meenten te brengen. Die werden direct door de schaarmeesters in beslag genomen en verkocht bij openbare verkoop, zoals de geldende schaarbrief voorschreef. Maar Hinlopen deed aangifte en zocht het hogerop. Hij baseerde zich daarbij op de eerste schaarbrief uit 1404, waarin wordt gesteld dat uit elk huis, waarin twee paar volks woonde, twee schaarbeesten meer op de meenten gebracht mochten worden. En hij zag een doorslaggevend argument in het (dubbele) schaarrecht van de hofstede Oud-Bussem.
De erfgooiers verweerden zich als volgt: Hinlopen was én geen man uit man geboren Gooier – geen erfgooier – én dus had hij geen gebruiksrecht én daarom geen schaarrecht. Bovendien woonden hij en zijn oom op één landgoed… maar in verschillende huizen. Hoe zat het nu? Het zakelijke schaarrecht dat op de hofstede Oud-Bussem rustte, werd erkend, maar dan alleen vanuit de plek waar dat oorspronkelijk had gestaan – het was in het Rampjaar 1672 platgebrand en kennelijk een stukje verderop herbouwd. Kortom, François Hinlopen kon zijn vee niet gratis laten grazen op de Gooise meenten. Het vonnis van de rechtbank luidde overeenkomstig. Hinlopens pogingen om de gebruiksrechten van de erfgooiers onderuit te halen liepen op niets uit, net als die om persoonlijk schaarrecht te verkrijgen.
Echter in zijn kielzog verzamelde zich een aantal in het Gooi wonende lieden dat rundvee en paarden bezat, maar tevens van het schaarrecht verstoken bleef. Het ging om rijke kooplieden of om wevers en smeden die soms getrouwd waren met een erfgooiersdochter, maar geen enkele kans maakten op het schaarrecht als Stad en Lande zich aan haar uitgangspunten hield. Hinlopen adviseerde om het schaarrecht aan hen toe te kennen, onder andere op basis van het argument dat de erfgooiersrechten ‘ingeslopen misbruiken’ waren en voor ‘een groot deel op geen andere grond dan aanmatiging steunden’. Opnieuw tevergeefs.

De namenlijst en kaart van Walraven
Maar de overheid twijfelde aan het bestaansrecht van Stad en Lande en de erfgooiersrechten. Er rezen vragen als ‘wie zijn dat, erfgooiers’, ‘wat zijn schaarrechten’ en ‘waar liggen die meenten dan’. Er moest een kaart van Gooiland vervaardigd worden, met de exacte aanduiding van de erfgooiersgronden, samen met een lijst van alle erfgooiers met naam en toenaam. In 1708 lag er een geschrift met 1088 namen van gerechtigde erfgooiers. Interessant is dat de lijst een toevoeging kent van de ‘uitwonenden’, erfgooiers die niet meer in het Gooi woonachtig waren. Zij hadden geen gebruiksrechten. Zodra zij weer op Gooise bodem woonden, werden die ‘geactiveerd’. Later worden deze erfgooiers ‘slapend’ genoemd.
Een drietal kaarten en enkele subkaarten verschenen tussen 1709 en 1723, waarop duidelijk aangegeven was waar de meenten, venen, maten (hooilanden), bossen en engen van de erfgooiers lagen. Feitelijk had Hinlopen ervoor gezorgd dat de erfgooiers en de precieze locaties van hun ‘gemene gronden’ respectievelijk waren opgetekend en in kaart gebracht. Het bleek echter een bestendiging van hun gebruiksrechten en gronden, iets wat François niet bepaald voor ogen had. De namenlijst is tot de ontbinding in 1971 als grondslag gebruikt om te bepalen wie de ‘echte’ erfgooiers waren.

1836-1898 Verdeling
Door de namenlijst uit 1708 en de kaart uit 1723 wist men wie de erfgooiers waren en waar hun gemene gronden lagen. Maar nog steeds wilde de overheid het liefst van ze af, terwijl de erfgooiers aan hun gebruiksrechten vasthielden. ‘Another accident waiting to happen …’. Op een avond had de Hilversumse notaris Albertus Perk (1795-1880) een lumineus idee. Zowel de overheid als de erfgooiersorganisatie zou over bepaalde delen van Gooiland de exclusieve eigendom verkrijgen. Om een en ander te verduidelijken werd opnieuw een kaart vervaardigd (1843-45). En bij de verkopen van het deel dat de overheid in bezit kreeg, verschenen zogenoemde veilingkaarten (1837, 1843).
Aan het begin van de negentiende eeuw hadden veel meer mensen genoeg van al die woeste en onrendabele gemeenschappelijke gronden. Het devies was: ontginnen! Het zou de boeren meer eigen land opleveren en stedelijke armoedzaaiers zouden zich op het platteland kunnen vestigen om daar als landbouwer aan de slag te gaan. In 1809 werd een wet aangenomen die de verdeling van gemeenschappelijk bezit moest stimuleren. De overheid liet ook haar oog vallen op de Gooise gemene gronden. Volgens oude gewoonte kwamen de erfgooiers in vergadering bijeen in de Grote Kerk Naarden om over deze voornemens te debatteren. Men stemde eendrachtig tegen. Klaarblijkelijk hadden de erfgooiers daartoe het volste recht, want de overheid kon ontginning toen niet afdwingen of liever gezegd nóg niet afdwingen.

De eerste verdeling van 1836
Zeventien jaar later. Albertus Perk trad aan als secretaris van de erfgooiersorganisatie. Hij was naast notaris ook agent van Domeinen. In 1837 werd hij bovendien directeur van de Maatschappij ter bevordering van de cultuur in Gooyland. Tevens bekleedde hij lange tijd het ambt van gemeentesecretaris te Hilversum, waarna hij daar ook raadslid en wethouder werd. Door die combinatie van functies en ambten had Perk zicht op en kennis van de wensen, motieven en strategieën van de organisaties die zich bemoeiden met de ontginningsproblematiek. Ook kon hij de gevoelens van de erfgooiers peilen en hen zo nodig laten weten dat zij altijd over de ophanden zijnde regelingen zouden mogen stemmen en dat hun besluiten bindend zouden zijn.
Voor Perk was het niet de vraag of er een botsing zou komen tussen de autoriteiten en de erfgooiers, maar wanneer. Hij deed daarom studie naar de erfgooiersgeschiedenis en kwam tot de conclusie dat de gebruiksrechten van de erfgooiers en de eigendomsrechten van de overheid (of overheden) allebei rechtskracht hadden en geldig waren. Daarom dacht hij aan een ‘ruil’ om een conflict met onbekende afloop te voorkomen. Na lange onderhandelingen werd in 1836 een compromis bereikt en uitgevoerd. Grote delen van de Gooise heide en veengronden kwamen in handen van de overheid, terwijl de erfgooiers eigenaar werden van de veel lucratievere weilanden.

De tweede verdeling van 1843
Het was zoals te doen gebruikelijk bij erfgooierszaken niet genoeg. Notabelen begonnen zich ermee te bemoeien. Perk wist dat hij opnieuw tot een vergelijk diende te komen, de regeling van 1843. Het blijkt dat hij flink heeft moeten laveren tussen de overheid en de erfgooiers, maar uiteindelijk tot tevredenheid de compromissen heeft voorbereid: ‘hoezeer ook die gebruiksrechten soms belemmeringen hebben opgeleverd tegen ontginning en nuttige ondernemingen, ze hebben echter bijzonder gestrekt tot instandhouding van een, ofschoon weinig bemiddelde, echter niet behoeftige – en vooral onafhankelijke – stand van landbouwers en kleine grondeigenaars, die, in andere ongelijk vruchtbaarder en voordeliger gelegen streken, is tenietgegaan; alsmede, dat met deze zeer goed tot overeenstemming is te komen, zij het in een laag tempo, maar daardoor ontstaan ook geen botsingen of onherstelbare vernietigingen’.
Perk zag in dat de gebruiksrechten van de erfgooiers blijvend zouden botsen met een uitdijende en op algemeen belang gefocuste overheid. Tegelijkertijd concludeerde hij dat niemand recht had op de volle winst – dat wil zeggen eigendom en gebruik over alle grond.
De regelingen uit 1836 en 1843 schonken de erfgooiers meer juridische zekerheid over hun gemene gronden. Waar het in feite op neer kwam, was dat het sinds de middeleeuwen tot verwarring leidende Romeinsrechtelijke begrip eigendom een plaats kreeg, waardoor de erfgooiers werkelijk eigenaar werden van een deel van de gemene gronden, terwijl de overheid de overige gronden in diezelfde hoedanigheid aan zich trok. Meer dan een halve eeuw later kreeg deze problematiek een vervolg, juist vanwege de onverenigbaarheid van alle rechtsvormen en juridische interpretaties.
